TOEPASSELIJKHEID VAN DE CAO; WERKINGSSFEER; "WERKGEVER IN DE ZIN VAN DE CAO"
Werkingssfeer van de CAO 1. Wanneer is de CAO van toepassing? 2. Het werkgeverscriterium: wat is een “werkgever in de zin van de CAO-BTU”? 3. Wanneer is een uitgever een “werkgever in de zin van de CAO-BTU”? 4. Het werknemerscriterium: wie is werknemer in de zin van de CAO? 5. Is de CAO altijd en zonder voorbehoud integraal van toepassing? 6. Waarom maakt het voor de toepassing van de CAO verschil of de werkgever georganiseerd is of ongeorganiseerd?
1. Wanneer is de CAO van toepassing? De CAO is van toepassing wanneer men onder de werkingssfeer van de CAO valt. Zie altijd artikel 1 en 2 van de CAO (Definities en Werkingssfeer). Soms wordt wel eens gevraagd of men zich "bij de CAO moet aansluiten". Nee, dat is niet het geval, die situatie doet zich niet voor, men sluit zich ook niet aan bij de wet. De CAO is van toepassing zodra werkgever en werknemer aan de CAO-criteria voldoen. Alvast even heel kort door de bocht geformuleerd: De CAO is van toepassing zodra (1) de uitgever/werkgever (2) in hoofdzaak (3) boeken- en of tijdschriften en/of daarvan afgeleide electronische produkten uitgeeft en (4) daartoe personeel in dienst heeft. Zie hierna. Naar boven
2. Het werkgeverscriterium: wat is een “werkgever in de zin van de CAO-BTU”? De CAO zegt het in artikel 1.1 sub a als volgt: Werkgever in de zin van de CAO is: “Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die met verantwoordelijkheid voor de inhoud in hoofdzaak boeken en/of tijdschriften en/of educatief materiaal en eventueel daarvan afgeleide en/of daarmee samenhangende electronische produkten vervaardigt en/of doet vervaardigen, uitsluitend met het doel die inhoud openbaar te maken” Als de uitgever hieraan voldoet, is hij werkgever in de zin van de CAO en geldt in dat geval de CAO voor het gehele personeel, behalve voor de categorieën werknemers die de CAO zelf heeft uitgesloten in artikel 2: directeuren en/of adjunctdirecteuren; journalisten; vakantiehulpen en losse krachten of vertegenwoordigers op provisiebasis (voor wie een beperkt gedeelte van de CAO toepasselijk is).
Naar boven
3. Wanneer is een uitgever een “werkgever in de zin van de CAO-BTU”? Wanneer de teksten van artikel 1.1 sub a en c en artikel 1.2 van de CAO in combinatie met elkaar worden beschouwd, kunnen de volgende elementen worden onderscheiden, waaraan allemaal dient te worden voldaan:
Iedere natuurlijke of rechtspersoon Dat is: de kleinst denkbare juridische entiteit, waarin de bedrijfsactiviteit is ondergebracht: de eenmanszaak, de v.o.f., de werkmaatschappij onder de holding, de individuele BV onder de beheersmaatschappij.
die met verantwoordelijkheid voor de inhoud Dat is: met eigen eindverantwoordelijkheid voor de inhoud (derhalve: geen tekstbureaus; geen sponsored magazines, die in opdracht van anderen worden gevuld)
in hoofdzaak Dat is: als hoofdactiviteit, meer dan 50% van de omzet; niet: uitgeven als nevenactiviteit (dus: bv. geen verenigingsbladen; geen bedrijfsbladen, zolang die uitgever dat niet in hoofdzaak doet). Het gaat om de zelfstandige exploitatie door de uitgever van het medium, de vrije bewegingsruimte van de uitgever op de lezers- en/of advertentiemarkt. Het is in dit opzicht niet doorslaggevend of de uitgever het uiteindelijke financiële risico draagt. Zuivere ‘sponsored magazines’ vallen echter buiten dit criterium, omdat uitgevers van dergelijke bladen hun exploitatie nu juist niet zelfstandig halen uit de lezers- en/of advertentiemarkt. Het NUV organiseert de uitgevers van zuivere ‘sponsored magazines’ overigens ook niet.
boeken en/of tijdschriften en/of educatief materiaal Alleen uitgevers ‘van boeken en tijdschriften’ worden door het Nederlands Uitgeversverbond als werkgeversorganisatie vertegenwoordigd. Uitgevers van andere produkten kunnen op zichzelf wel lid zijn van het Nederlands Uitgeversverbond (als branche-organisatie) maar hoeven geen werkgever te zijn in de zin van de CAO.
In de zin van deze CAO worden tot o.m. boeken gerekend: plaatwerken, atlassen, losbladige uitgaven, supplementen, banden, werkboeken, educatief materiaal, jaarboeken, prentenboeken, stripboeken. Maar als uitzonderingen - geen ‘boeken’ dus in de zin van de toepasselijkheid van deze CAO – worden bv. beschouwd: adresboeken, telefoonboeken e.d. Dergelijke uitgevers kunnen individueel wel lid zijn van het Nederlands Uitgeververbond (NUV), maar ze worden niet als specifieke groep door het NUV georganiseerd.
In de zin van deze CAO worden tot o.m. tijdschriften gerekend: publieksbladen, vaktijdschriften, opinieweekbladen, wetenschappelijke en literaire tijdschriften, part works, nieuwsbladen, omroepbladen e.a., ongeacht de wijze van verspreiding, dus ook bladen onder ‘controlled circulation’.
en daarvan afgeleide en/of samenhangende electronische producten Dat zijn o.m.: CD-ROM’s en diskettes behorend bij educatief materiaal etc.; en digitale uitgaven als afgeleide van het folioprodukt en/of daarmee samenhangen. Maar géén: 100% zelfstandige electronische uitgaven (reisplanners, routeplanners, cd-foon e.a.) omdat ook deze uitgevers/-producenten weliswaar individueel lid van het NUV kunnen zijn, maar niet door het NUV als zodanig worden georganiseerd.
vervaardigt en/of doet vervaardigen Dat is: op eigen initiatief, naar eigen idee, zelf maakt of laat maken (zie ook de bovengenoemde “Eindverantwoordelijkheid” voor de inhoud). Geen tekstbureaus, die in opdracht werken.
uitsluitend met het doel om die inhoud openbaar te maken Dat is: om onderscheid te maken met de drukker of andere producenten van informatiedragers: de uitgever is de producent van de informatie zelf.
die personeel in dienst heeft (artikel 1 sub. a; artikel 1 sub c) Dat is: op arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd voor de werkgever werkzaam; geen freelancers (geen overeenkomst tot opdracht); geen man/vrouw-onderneming.
dat niet door de CAO zelf wordt uitgesloten (artikel 2) Want: er kan ook personeel werkzaam zijn bij een uitgeverij, maar dat niet valt onder het begrip “werknemer in de zin van deze CAO”. In die gevallen gelden veelal eigen CAO’s, arbeidsvoorwaarden en/of afspraken. Te denken valt aan: directeuren, uitzendkrachten, vakantiekrachten, losse krachten, grafici en journalisten.
Derhalve: Bent U als natuurlijke of rechtspersoon (1) uitgever van boeken en/of tijdschriften en/of educatief materiaal en eventueel daarvan afgeleide en/of daarmee samenhangende electronische produkten (2) èn bent U dat in hóófdzaak (3) èn opereert U zelfstandig op de lezers- en advertentiemarkt (4) èn heeft U voor dat doel personeel in dienst? Dàn bent U werkgever in de zin van de CAO-BTU. Naar boven
4. Het werknemerscriterium: wie is werknemer in de zin van de CAO? Het werknemerscriterium is staat in artikel 1.1 sub c en artikel 1.2 van de CAO.
De werknemer moet in dienst zijn van de werkgever... Dat is: op arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd voor de werkgever werkzaam; geen freelancers (geen overeenkomst tot opdracht); geen man/vrouw-onderneming.
en als categorie niet door de CAO zelf worden uitgesloten. Want: er kan ook personeel werkzaam zijn bij een uitgeverij, dat niet valt onder het begrip werknemer “in de zin van deze CAO”. Dat zijn personeelsleden die wel in dienst zijn van de werkgever, maar op wie veelal andersluidende, eigen CAO’s en/of arbeidsvoorwaarden en/of afspraken toepasselijk zijn. Te denken valt aan: directeuren, uitzendkrachten, vakantiekrachten, losse krachten, grafici en journalisten. Wanneer aan beide aspecten (het werknemerscriterium) wordt voldaan is de werknemer een werknemer in de zin van de CAO en zijn dwingend de CAO-bepalingen van toepassing. Naar boven
5. Is de CAO altijd en zonder voorbehoud integraal van toepassing? Nee. Dat hoeft niet. In de gevallen waarin zowel aan het werkgevers- als aan het werknemerscritrium is voldaan, kunnen er toch nog factoren zijn die de toepasselijkheid van de CAO kunnen inperken. - Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de uitgever, die aan het werkgeverscriterium voldoet, in afwijking van de CAO op bepaalde door de CAO toegestane onderwerpen eigen arbeidsvoorwaarden heeft gemaakt (zie artikel 7.1 van de CAO) - Voorts maakt het verschil of de uitgever, die aan het werkgeverscritrium voldoet, al of niet georganiseerd is (lid is van het Nederlands Uitgeversverbond). Voor georganiseerde werkgevers geldt de integrale CAO, voor niet-georganiseerde werkgevers gelden alleen de CAO-bepalingen die onder de Algemeen Verbindendverklaring vallen. Naar boven
6. Waarom maakt het voor de toepassing van de CAO verschil of de werkgever georganiseerd is of ongeorganiseerd? Dat heeft te maken met het feit dat niet de gehele CAO, maar slechts een gedeelte van de CAO door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid algemeen verbindend wordt verklaard. De zgn. sociale fondsen bijvoorbeeld, de sociale afspraken in de CAO die de bedrijfstak zelf heeft gemaakt en laat uitvoeren door verschillende fondsen en administrateurs, vallen in de sector Uitgeverijbedrijf niet onder de Algemeen Verbindend Verklaring (AVV). Voor de georganiseerde uitgever (de uitgever die is aangesloten bij het Nederlands Uitgeversverbond) die tevens werkgever is in de zin van de CAO, geldt als werkgever de integrale CAO, inclusief alle sociale fondsen. Voor ongeorganiseerde uitgever (de uitgever die niet is aangesloten bij het Nederlands Uitgeversverbond) die tevens werkgever is in de zin van de CAO, geldt niet de integrale CAO, maar gelden uitsluitend de bepalingen uit de CAO die door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid algemeen verbindend zijn verklaard Naar boven
|